- juni 3, 2026
Stelling 5: Wat lost staatsdeelneming eigenlijk op?
De Rijksoverheid heeft geld gealloceerd om financieringsrisico’s van warmtenetten te beperken via mede-aandeelhouderschap. Doel is verhoging van het tempo van realisatie. Een goede beweging. Voor diverse projecten is deze zekerheid nodig. De beeldvorming is dat financiering de ontwikkeling van nieuwe publieke netten in de weg staat. Dit beeld is aanmerkelijk genuanceerder.
Welk probleem moet worden opgelost.
We zijn ruim 7 jaar bezig met de Wcw. In die tijd zijn veel discussies gevoerd over marktpartijen die zich overvallen voelen door publieke partijen en over het feit dat de gewenste rendementen niet gedekt worden. Dat heeft veel tijd gekost en in veel projecten tot vertraging geleidt: omdat marktpartijen zich terugtrekken en de ontwikkeling van de publieke route veel tijd vergt. Staatsdeelneming als noodzakelijke versneller is mooi maar lost het werkelijke probleem niet op. Dat heeft twee redenen.
Redenen voor de stagnatie.
De eerste reden is dat minister Wiebes in 2019 al in de kamerbrief over de nieuwe warmtewet benoemde dat er sprake is van marktfalen. Simpel gezegd: er zit een kloof tussen de normale rendementen van de markt en wat bewoners met hun energierekening kunnen betalen. Elk bedrijf heeft recht op zijn rendement, maar de kloof met betaalbaarheid is niet te dichten met alleen marktdenken. Niet voor niets heeft hierdoor de Wcw de publieke route gekregen. Daarom is het jammer dat de bestaande partijen geen nieuwe wegen, rollen en markten ontdekt hebben met alle beschikbare kennis en ervaring.
De tweede reden is dat je wel de financiering als risico kunt benoemen. Maar eerst moet je eerst zorgen dat er een haalbaar en betaalbaar project is. Wij constateren met enige regelmaat dat er sprake is van een nog niet sluitende businesscase of voldoende draagvlak bij bewoners als er toch al afspraken over eigenaarschap en risicoverdeling gemaakt worden. Als je dan uitspraken wilt doen over financiering en het saldo van de businesscase dan is het volstrekt logisch dat partijen zekerheid zoeken. Dan ontstaat er een neiging om risicoposten in te bouwen “vanwege de onzekerheden”. Het automatische gevolg is dat het rendement dan omhoog gaat en een sluitend concept meer uit zicht raakt.
Wat gaat er dan fout
Bij een niet sluitende businesscase moet eerst gekeken worden naar het energieconcept, slimme technische oplossingen, aannamen voor onderhoud, verbinding met netcongestie, schaalgrootte en verbinding met andere wijkontwikkelingen. En verder uiteraard draagvlak bij bewoners, volloop en afspraken met corporaties. In het publieke domein is financiering bij een sluitend project het minst grote vraagstuk. Via BNG en Waterschapsbank is brede financiering van maatschappelijke investeringen normaal.
De discussie gaat evenwel in de richting van noodzakelijk mede-aandeelhouderschap. De veronderstelling dat hierdoor de rendementseis naar beneden kan (= dus dat de risico’s verlaagd kunnen worden) is niet bewezen. Immers zoals hiervoor benoemd, een niet-sluitend verhaal door een te duur energieconcept of onvoldoende draagvlak bij bewoners kan het Rijk op afstand ook niet oplossen. Wat is de rol van de mede-eigenaar om medewerking van bewoners en corporaties te verkrijgen?
Is er dan geen rijksdeelneming nodig?
Die is zeker nodig. De vraag moet veel concreter beantwoord worden wat er voor welk vraagstuk de beste oplossing is waarbij breder gekeken moet worden dan naar zeggenschap van het Rijk. Zoals gezegd: de eerste stap is eerst zorgen voor een sluitende businesscase. De tweede stap is beantwoording van de vraag of alle medewerkende partijen mede-eigenaar moeten zijn (en met welke condities) of dat het niet slimmer is om met partijen realisatie-contracten te sluiten. Dus eerst kijken naar de rolverdeling en dan naar de machtsverdeling. Vervolgens komt financiering aan de orde. En dan zijn er drie mogelijkheden:
- Een gemeentelijk warmtebedrijf zorgt voor eigen publieke financiering (de goedkoopste oplossing).
- Een warmtebedrijf met meerdere partijen heeft aanvullende financiering nodig. In dat geval kan extra financiering vanuit het Rijk hier de oplossing bieden.
- Financiering is wel mogelijk, maar het gaat om de prijs van het geld. In die situatie is de optie van het (eerdere) waarborgfonds een wenselijke route om de risico’s naar beneden te brengen.
In dit verband pleiten we dus ook om de nu voorliggende garantieregeling die nauwelijks meerwaarde heeft weer terug te brengen naar het eerdere waarborgfonds. Garantie op uitkering bij faillissement draagt op korte termijn niet bij aan draagvlak en meer geld.
Stappen naar de toekomst
Ons pleidooi is daarom om vanuit het rijk de focus te zetten op drie lijnen:
- Soepele regelgeving (tariefregulering ed.) voor lokale initiatieven die geen extra financieringssteun nodig hebben.
- Bepalen wat echt nodig is om een project in beweging te krijgen. Niet staatsdeelneming voorop zetten. De vraagstukken bij nieuwe bedrijven zijn veel breder dan de traditionele beeldvorming in het verleden.
- Maatwerk leveren nadat bepaald is wat nodig is. En dat is een breed pallet van waarborg tot financiering tot mede-eigenaarschap.
Samenvattend pleiten we daarom voor minder lineaire druk van bovenaf, maar een facilitair aanbod vanuit het Rijk waar maatwerk geleverd kan worden. En tot slot: bij een goede samenwerking tussen mede-overheden moet vertrouwen de basis zijn, en zou mede-eigenaarschap van het Rijk eigenlijk niet nodig moeten zijn.