- juni 3, 2026
Stelling 6: De kavelaanpak leidt tot veel extra werk en bureaucratie.
De gedachte rondom kaveluitgifte is gebaseerd op de praktijk in de vorige decennia, op nieuwbouw en regulering van de private markt. In artikel 2.5 van de Wcw wordt dit allemaal beschreven en uitgewerkt. De aanpak was gericht op een goede regulering in de markt om wildgroei te voorkomen. De grootste opgave in de toekomst ligt evenwel in de (meest oude) bestaande woonomgeving. Daar is feitelijk sprake van wijkaanpak waarbij er ook sprake is van organische groei is het ook gewenst om flexibiliteit in afbakening van gebieden te hebben.
Spanning tussen kavelstructuur en wijkaanpak
De kavelstructuur zoals die nu is opgenomen in de Wcw is gebaseerd op de publiek private vorm en het faciliteren van de marktordening. Daarbij wordt van 2 gedachten uitgegaan.
De ene is dat de gebiedsverdeling onder marktpartijen een primaire faciliteit is om betaalbare energietarieven voor bewoners te faciliteren. De andere is dat het mogelijk vooraf een geplande indeling in uitrolgebieden te maken.
Beiden zijn inmiddels door de tijd en de keuze voor een publieke marktordening achterhaald. En toch zijn de teksten ongewijzigd gebleven.
Duidelijkheid versus flexibiliteit
Er moet naar de samenleving duidelijkheid zijn over de toekomstige plannen in de warmtetransitie. Bewoners in wijken waar een warmtenet de best betaalbare energievoorziening hebben recht op duidelijkheid. Hiervoor heeft een gemeente een Warmteprogramma. Daar worden de keuzen toegelicht en een tijdpad en afbakening aangegeven. De realisatie is geen lineair proces. Een bestaande woonwijk met veelal oudere woningen (veel huurhuizen) is complex. Zowel fysiek (een warmtenet aanleggen is vergelijkbaar met vervanging van het hoofdriool) als omgeving (bomen, ondergrond, andere planningen openbare ruimte) als ook qua draagvlak (doen er genoeg mensen mee). Om het nog maar niet over netcongestie te hebben. Dit betekent dat de uitrol zowel qua fysieke planning (route door en naar wijken) als bronnen (beoogde oplossingen blijken niet mogelijk), als energieverbruik continue tot andere inzichten leidt. Dit vraagt om een organische aanpak (wellicht soms overdimensionering voor toekomstige netten) en dus flexibiliteit. Dan moeten afgebakende gebieden niet in de weg zitten.
Beperkingen van de kavelaanpak
De kavelgedachte gaat uit van een neutraal speelveld. Maar dat is er niet. Door de keuze voor publiek eigenaarschap zal elke gemeente vooraf besluiten moeten nemen over de publieke rol. Die keuze (die dus buiten de Wcw wordt gemaakt) bepaalt het speelveld. Ingeval van de keuze voor een gemeentelijk warmtebedrijf (al of niet samen met andere partijen) is het niet de intentie om de deur open te zetten naar andere warmtebedrijven. Dus moet je formeel besluiten om jezelf als warmtebedrijf aan te wijzen.
Ook als je niet kiest voor een eigen warmtebedrijf maar kiest voor een externe publieke partij, dan is diezelfde intentie ook aanwezig.
Dan blijft slechts de situatie over van binnenstedelijke nieuwbouwlocaties waar gekozen zou kunnen worden voor een warmte-oplossing via de ontwikkelende partij.
Gevolgen in de uitvoering
Een vooraf opgelegde kavelstructuur biedt de mogelijkheid dat partijen zich melden voor gunstige locaties terwijl dit dus vanuit beleid gericht op lokale aanpak, socialisering van tarieven ed. niet gewenst was. Het gevolg kan zijn dat gevolgen voor het organiseren van het energiesysteem voor de hele gemeente (inclusief buffers ed.) en omgaan met schaarse ruimte op het bordje van de gemeente komt.
Maar los daarvan leidt de aanwijzing van kavels tot een veelheid van besluiten van de gemeenteraad. De hiervoor genoemde organische aanpak, leidt tot gewijzigde inzichten. En dus tot wijziging van eerder genomen kavelbesluiten. Hiermee komt een ongewenste bureaucratie op gang waar niemand mee gediend is. Hier zijn wel regels voor, maar het primaire doel is toch het behalen van tempo in de uitrol.
Een oplossing zou kunnen zijn om dan de hele gemeente als kavel aan te wijzen. Daar kleven ook weer nadelen aan. In deze casus gaan we niet in op alle juridische gevolgen van een en ander.
Oorsprong van het probleem
Duidelijk is in elk geval dat de kavelgedachte nog stamt uit de eerste fase van de concept wettekst toen de focus lag op publieke en private bedrijven. Na de keuze van het toenmalige kabinet voor de publieke route, is de hele kavelgedachte ongewijzigd gebleven. Met alle gevolgen van dien.
Conclusie
Dit document is geen pleidooi om de regulering helemaal overboord te zetten. Via het inmiddels ingevoerde warmteprogramma en de WGIW zijn voldoende instrumenten om een eerlijke en transparante realisatie van het energiesysteem (want inmiddels kan een warmtenet niet zonder het stroomnet gezien worden). Hier is niet daar bovenop nog een gedetailleerde kavelsystematiek nodig.
Als gemeente kun je dit alles oplossen door vooraf een goede kavelstrategie toe te passen die ook zorgt voor minimaal werk en bureaucratie. Maar de vraag is dan nog steeds: is dat het doel of ben je een probleem aan het oplossen.
De Wcw is inmiddels aangenomen. Er kunnen situaties zijn dat kavelaanwijziging nodig is. Voor alle andere situaties is een wetswijziging geen slagvaardige optie. Wellicht is een route om in de Bcw een aantal slimme passages op te nemen die onnodige bureaucratie kunnen elimineren en verwijzen naar andere opties zoals het warmteprogramma en de BGIW. Er zullen even wel een aantal opties ingebouwd moeten worden zodat de aansluiting tussen het type gebied (nieuwbouw/bestaande bouw), de eigendomsverhouding (100% publiek versus andere opties) beter aansluit op de praktijk. In elk geval moet de kavelaanpak niet een doel op zich zijn.